Psychosociale ontwikkeling

Sociale ontwikkeling van het kind – Psychosociale ontwikkeling

Voor dit blog hebben we de aspecten van de sociale ontwikkeling onderverdeeld in 2 subcategorieën; Morele ontwikkeling en Psychosociale ontwikkeling. Deze blogs zullen elkaar dan ook opvolgen en naar elkaar refereren. Onder Psychosociale ontwikkeling verstaan we het proces dat er toe leid dat het kind leert hoe het op een correcte omgaat met andere individuen en situaties.

Psychosociale ontwikkeling

Eerste levensjaar – vertrouwen vs niet vertrouwen

Tijdens het eerste levensjaar wordt de basis gelegd voor de verdere psychosociale ontwikkeling door de psychosociale crisis van vertrouwen vs niet vertrouwen die moet worden opgelost door het kind. Hierbij speelt een veilige hechting een cruciale rol. In deze levensfase is de belangrijkste sociale relatie van het kind die met de verzorgers. Het is in deze fase belangrijk dat deze wordt afgesloten met een basisgevoel van vertrouwen welke de basis legt voor het open staan voor latere sociale contacten.

Tweede levensjaar – autonomie vs twijfel

Ook in deze levensfase zijn de directe verzorgers de belangrijkste sociale relaties. De psychologische crisis waarmee het kind in deze fase wordt geconfronteerd is die van autonomie vs twijfel. Het kind begint te kruipen, lopen, ontdekken en onderzoeken. In deze levensfase is het belangrijk dat het door verzorgers aangemoedigd wordt een gevoel van onafhankelijkheid, vertrouwen en controle te ontwikkelen. Dat het leert impulsen onder controle te krijgen en trots kan ervaren op geleverde prestaties.

Overbeschermende opvoeders of herhaalde mislukte pogingen van het kind om wat voor elkaar te krijgen kunnen leiden tot een gevoel van twijfel bij het kind over de capaciteiten die het heeft. Om het kind klaar te maken voor de volgende fase in zijn psychosociale ontwikkeling is het belangrijk dat het een gevoel van zelfcontrole en de notie dat het tot zelfstandig handelen in staat is ontwikkelt.

Drie tot vijf jaar – initiatief vs schuld

Hier worden de belangrijkste sociale contacten langzaam uitgebreid tot de bredere familiekring. De psychosociale crisis die het in deze fase voorgeschoteld krijgt is die van eigen initiatief vs schuld.

  • Aanmoediging of ontmoediging van eigen initiatief
  • Voelt het kind zich capabel
  • Goedkeuring of afkeuring op het vertoonde gedrag

Wanneer de tweejarige twijfelt aan eigen kunnen zal deze twijfel geen goed doen aan het durven nemen van initiatieven en dus ook volgende psychosociale crisis bemoeilijken. Voor het kind is het noodzakelijk dat het in deze periode leert doel en richting te kiezen en in staat is eigen initiatieven te nemen.

Zes jaar tot pubertijd – competentie vs inferioriteitsgevoelens

In deze levensfase worden de sociale contacten verder uitgebreid naar de directe buurt en de school. In deze periode leren we de noodzakelijke vaardigheden voor het functioneren in de maatschappij; lezen/schrijven, omgang met anderen, omgaan met verantwoordelijkheden,… In deze fase wordt het kind de les van competentie vs inferioriteitsgevoelens voorgeschoteld. Het vertrouwen in eigen capaciteiten zijn voor het kind belangrijk voor de volgende stap in zijn psychosociale ontwikkeling.

Adolescentie – Identiteit vs verwarring

In deze periode ontwikkelt de nu adolescent meer en meer zijn eigen identiteit en dat kan soms komen met verwarring. Wie is het, wat wil het en hoe komt het daar waar het wil zijn? De belangrijkste contacten zijn deze met leeftijdsgenoten. Rolmodellen kunnen zowel positief als negatief van invloed zijn op het zelfbeeld van de adoloscent.

Vroege volwassenheid – 20-40 jaar – intimiteit vs isolatie

Tussen de 20 en 40 jaar neemt de sociale contactenkring wat af. De individu vind een partner, raakvlakken verschuiven en vriendschappen krijgen andere prioriteiten. In deze fase wordt men geconfronteerd met de “keuze” tussen intimiteit vs isolatie. Intimiteit wordt gezien als de mogelijkheid een verbinding te maken op gevoelsniveau en daarbij ervaringen te delen. Wanneer crises uit eerdere perioden niet met het gewenste resultaat zijn afgerond kan dit resulteren in bindingsangst. Deze angst kan zorgen voor isolatie van de vroege volwassene.

Midden volwassenheid – 40 – 65 jaar – generativiteit vs zelfabsorptie

De belangrijkste contacten beperken zich meer tot de huiselijke- of werkkring. In deze periode werpt men vaak een kritieke blik naar verleden en huidige situatie. Een periode die getekend wordt door grote veranderingen stelt ons voor grote vragen. Kinderen gaan het huis uit, de carrière krijgt een andere plaats,… Deze herevaluatie noemen we in de volksmond vaak ook de midlife crisis. Deze psychosociale crisis stelt ons voor de keuze tussen generativiteit en zelfabsorbtie. Generativiteit legt de focus van de midden volwassene voornamelijk extern, samenleving, inleving met de jongere generatie, … Generativiteit uit zich in een mentor rol of rolmodel kijk op het leven. Zelfabsorbtie is intern en vaak in negatief opzicht gefocust op gemiste kansen. Hier kijken we niet zozeer meer terug vanaf de geboorte maar wordt de focus steeds meer gelegd op het beperkt aantal jaren dat we nog hebben. Het concept van sterfelijk wordt steeds reëler en hangt als het ware als het zwaard van Damocles boven het hoofd.

Oudere leeftijd – integriteit vs wanhoop

Wanneer alle voorgaande perioden naar wens zijn verlopen heeft de individu een belangrijke plaats ingenomen en een gevoel van voldoening. Met het weinig aantal resterende jaren is de psychosociale crisis hier deze van integriteit vs wanhoop. We beginnen fysiek achteruit te gaan, we worden vaak terug afhankelijker van onze directe omgeving. Deze beperkingen, hoewel natuurlijk kunnen uiteraard een negatief invloed hebben op ons zelfbeeld. Sterfgevallen en andere redenen voor het verkleinen van de sociale cirkel kunnen ook leiden tot eenzaamheid. Deze crisis heeft te maken met hoe we terugkijken op het geleefde leven en onze dood tegemoet treden. Spijt en gemiste kansen kunnen er voor zorgen dat het individu met ontevredenheid en wanhoop het einde tegemoet gaat. Een leven met enige mate van succes zal er waarschijnlijk toe leiden dat men met een opgeheven hoofd, vrede en integriteit het einde tegemoet ziet.

We rise by lifting others - Rober Ingersoll - Inspirational quotes

Socialisatie

  • Primaire groepen zijn eerder klein aldus Cooley.  Deze worden gekenmerkt door direct en persoonlijk contact wat grootte van deze groep beperkt.  Dergelijke groepen blijven een lange tijd bestaan.  Groepsrelaties zijn diffuus en niet instrumenteel.  Diffuse karakter zit hem in het brede scala aan gespreksonderwerpen.

    Typische primaire groepen zijn het gezin en de peergroep.  Veronderstelt wordt dat elk individu eerst kennismaakt met socialisatie in primaire groepen,  hij stelde tevens dat iedereen binnen een samenleving er dezelfde cultuurelementen aanleert.

  • Secundaire groepen zijn groter in aantal en meer gekenmerkt door indirecte relaties dan primaire groepen.  De groep is meestal groter dan de primaire groep.  Dit laatste maakt face to face interacties moeilijker,  leden van deze groep komen en gaan.  Dit laatste brengt echter het voortbestaan van de groep niet in gevaar.  Wat de groepsrelaties betreft,  zijn deze opnieuw tegengesteld aan de primaire groep,  gespecialiseerd en instrumenteel.

    Gespecialiseerde groepsrelaties duiden op het feit dat er in een secundaire groep enkel belangstelling is voor die persoonlijke kenmerken van de groepsleden die belangrijk zijn voor het functioneren van de groep. Instrumentele groepsrelaties zijn relaties gebaseerd op het bereiken van een doel.  Samen dingen doen overstijgt hier door het emotionele.  Voorbeeld Verenigingen.

Primaire socialisatie

Vind plaats in drie stadia;

  • Imitatie

    Een baby leert zijn eerste handelingen voornamelijk door imitatie.  Deze gedragingen zijn door George Mead (1863 – 1931) benoemd als stures.  Deze gestures zijn voor de baby op dit moment nog betekenisloos.

  • Play stadium

    De kleuter neemt in het play stadium een rol op waarmee hij kan experimenteren.  Dit stadium vind plaats tussen drie en zes jaar.  Kinderen nemen gedragspatronen van andere over (rollen in een spel).  Meestal in sets van 2 rollen,  de zelf en de “significant other”.  De eigen rol wordt vertolkt door een pop,  en broertje of een zusje,  de rol van de belangrijke ander neemt het kind zelf op (role taking).  Dit maakt het mogelijk voor het kind zichzelf te leren zien vanuit een extern standpunt.  “looking glass self”

  • Game stadium

    In dit stadium worden de rollen van verschillende anderen bij het spel betrokken.  Dit stadium wordt gekenmerkt door complexere meer georganiseerde sociale activiteiten waarin het kind zich moet kunnen inleven in de rol van alle medespelers.  Vb.  voetbal. 

    Tijdens het game stadium leert het kind zichzelf zien zowel vanuit het standpunt van de andere spelers als het geheel van de andere spelers.  Daarvoor gebruikt mead de term ‘generalised other’. Het zelfbewustzijn bevat dus iets individueel en sociaal. 

Secundaire socialisatie

Daar waar primaire socialisatie voornamelijk plaats vind binnen kleinere sociale groepjes vind de secundaire socialisatie plaats binnen grotere en meer formele sociale kringen. Denk hierbij aan scholen, verenigingen, … Volgens Mead waren enkel de secundaire groepen waartoe men behoort van invloed op het gedrag. Laatste werd door Sociologen als Robert Merton en Paul Lazersverd verworpen met het invoeren van het begrip “referentiegroep” (1950). Een referentiegroep is een groep die gebruikt wordt als referentiekader bij het beoordelen van het eigen gedrag. Daarbij is meteen de term “relatieve deprivatie” opgekomen waarbij mensen hun tekortkomingen opmerken door te vergelijken met individuen uit bepaalde hoger gerangschikte groepen; rijker, populairder, slimmer,…

Tertiaire socialisatie

Gebeurt via groepen die gekenmerkt worden door een anoniem karakter (b.v. massamedia).  Gekend voorbeeld van socialisatie via massamedia zijn kinderprogramma’s welke haast allemaal eindigen met een of ander moraal. Een minder positief aspect van de tertiaire socialisatie via massamedia is bijvoorbeeld het negatief zelfbeeld bij meiden die zich vergelijken met de schoonheidsnormen die worden gepromoot. B.v. anorexia nervosa.

Aanvullend: Sociale ontwikkeling van het kind – Morele ontwikkeling
Aanvullend: Psychologische ontwikkeling van het kind

Vond U dit artikel nuttig? Help ons door ons een positieve waardering te geven.
[Total: 1 Average: 5]
Vond je dit artikel nuttig? Delen is makkelijk met deze social share buttons.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *